Bij het verlaten van Genève trekt de pelgrim zijn route door een heuvelachtig landschap van bocages met uitzicht op de besneeuwde toppen van de Jura.
De Rhône toont vervolgens zijn met wijngaarden beklede hellingen en zijn drooggelegde moerassen beplant met populieren. Het klimaat is er zo zacht dat men spreekt van de "kleine Provence van Savoie".
Na de groene heuvels van de Bas-Dauphiné, waar de horizon gespikkeld is met bergtoppen, bereikt de wandelaar de uitlopers van het massief van de Pilat. Vervolgens maken boomgaarden en wijngaarden plaats voor plateaus en weilanden. Terwijl men dieper Haute-Loire binnendringt, neemt het vulkanische stempel geleidelijk bezit van het landschap, met grote basaltorgels en vulkanische pieken. Rondom hult het bos de wandelaar in zijn dichte en gastvrije mantel. De aankomst in Le Puy-en-Velay geeft een voorproefje van het uiteindelijke Galicische doel, want ook hier draagt een van de laatste etappes de naam "Montjoie".
Belangrijkste functies