Deze gele en rode route beschrijft, vertrekkend vanuit Doornik, een slingerende lus rond Picardisch Wallonië.
Het parcours van de GRP 123, getraceerd tussen de Scheldvlakte en het Dendrebekken, biedt een bescheiden reliëf. De heuvels van het land
Mélantois, de Streek der Heuvels, de mont Saint-Aubert openen zich echter naar weite panorama's. De vlaktes van de Schelde en de Dender, doorsneden door oude en recente kanalen, wedijveren met het nabijgelegen Vlaanderen en bieden droomlandschappen aan wandelaars en naturalisten in gebieden die teruggekeerd zijn naar de wilde natuur. Dit gele en rode pad heeft geen grote ambities: rijk aan zijn eigen charmes, volstaat het ermee zichzelf te zijn. Doorheen de vier doorkruiste streken zal de wandelaar inderdaad een mooie oogst van verleidelijke, soms ongewone landschappen opdoen. En ongetwijfeld zal meer dan één wandelaar aan het einde van deze tocht verrast en verrukt zijn door de variëteit van de sites, het pittoreske van de dorpjes, de rijkdom van de historische overblijfselen die ontdekt worden langs deze circa 258 kilometer.
Aan de poorten van de Stad der Vijf Torens laat de GRP 123 er geen gras over groeien om het platteland in te trekken, terwijl de kathedraal Notre-Dame de wandelaar een laatste groet toestuurt. Voorbij Willemeau en het valleitje van de rieu de Barges, doorkruist de gele en rode route de zachte golving van het plateau van Mélantois. En al snel kondigt Wez-Velvain de zone van de boomkwekerijen aan, die zonder meer de scepter zwaaien rondom Lesdain. Enkel in de lente disputeren de narcissen van het woud van Howardries hen een moment van populariteit en eigenen ze zich de gunst van een menigte wandelaars toe.
Richting Bléharies trekt de TWP vastberaden de Scheldvlakte in. De Brunehault-steen neemt daar een verrassend reliëf aan, terwijl rondom de kerktorenspitsen een oneindige horizon afbakenen. Koers zetten naar de Schelde: zijn oude dijken, zijn oud kanaal Nimy-Péronnes en zijn nieuw kanaal tekenen lijnen in de vlakte die de GRP 123 volgt van Bléharies tot Péruwelz.
Na het water, de bossen: de gele en rode draad zal de wandelaar het lot van Klein Duimpje besparen in de bossen van Bonsecours, de bossen van Stambruges en de vijvers van Villerot. Zal het lot hem een ontmoeting bezorgen met het spook van Charles-Joseph, prins de Ligne, in een hoek van een laan die leidt naar zijn Ronde Maison, zijn geliefde paviljoen?
De TWP nadert werkelijk de Oostelijke Dender wanneer hij naar het noorden afbuigt, richting Erbisoeul. Van dan af volgen Erbaut, Lens met zijn steegjes, Cambron-Casteau en Brugelette elkaar op langs een zeer landelijk dal. Voorbij Attre en zijn elegant kasteel neemt het gele en rode lint vrijheden met de Dender. Het leidt de wandelaar op zwerftstocht weg van de rivier via Mévergnies en Gondregnies, verspreid over de zachte golving van het Groene Land.
Na de doortocht van de bossen van Silly, Ligne en Enghien, trekt de wandelroute richting de stad Enghien, eerste baronie van Henegouwen met een prestigieus historisch verleden. De TWP keert terug naar Hellebecq waar hij de Sille oversteekt. Dan verschijnt Bois-de-Lessines met zijn mooi romantisch landhuis. In Deux-Acren betreedt de wandelaar opnieuw de oevers van de Dender, die hij volgt tot Lessines. In het hart van de oude « Stad
der Cayoteux » loopt hij zij aan zij met Magritte en het juweeltje van het hospitaal Notre-Dame à la Rose.
Vervolgens slingert de GRP 123 door het groene dal van de ri d'Ancre richting het Pays des Collines. Flobecq, Ellezelles en Saint-Sauveur markeren een van de parels van deze wandelroute: heuvelachtig bocagelandschap, een streek rijk aan folklore, ambacht en kruidenkunde.
De wandelaar keert terug naar de vlakte via het dal van de Rhosnes en zijn rustige landbouwdorpen: Arc-Ainières, Wattripont, Russeignies. Een stevige beenstoot is toch nodig om de mont de l'Enclus te beklimmen, de laatste klim van het Natuurpark der Heuvels.
De TWP daalt dan af van de beboste hoogten naar de uitgestrekte Scheldvlakte. Tussen Orroir en Pottes liggen rustige gehuchten verspreid in het agrarische landschap. De wandelaar flirt weldra met de Schelde en het oude kanaal van Espierres: Warcoing, Saint-Léger, oud leengoed van de Tempeliers, Estaimbourg met zijn domaine de Bourgogne; dan ontmoet hij de rivier opnieuw bij het verlaten van Pecq. Via een omweg langs het huis van Léaucourt langs een « coupure », een oude arm van de Schelde, een aquatisch paradis
aquatique, dan Obigies. En daar is de wandelaar opnieuw aan de voet van de laatste klim. Met of zonder stok, hij moet de mont Saint-Aubert beklimmen om van dit hoge terras de kerktorenspitsen van de Scheldestad te aanschouwen, die het einde van deze wandeltocht aankondigen.
Er rest enkel nog afdalen naar Kain en Doornik bereiken terwijl men kuiert langs de oevers van de rivier: de Pont des Trous, de kaden, de kathedraal, het belfort, een koninklijke ontvangst voor de wandelaar, terug in de oude hoofdstad der Franken.
Naar een tekst van Jean-Marie Maquet, geactualiseerd door Michel Eggermont.